Tom Poes en Kuifje

door Louis Versteeg

Inleiding (door Louis Versteeg)

Door de verminderde frequentie van de publicatie van nieuwe berichten heeft de aandachtige bezoeker al kunnen concluderen dat onze vaste en zeer productieve reporter Roger Klaassen momenteel geniet van een welverdiende vakantie. In dit soort tijden is het moeilijk om dezelfde productiviteit te continueren, onze excuses daarvoor. Als kleine goedmaker kunt u hier van een wel zeer uitgebreid artikel genieten over 2 oud gedienden van de 9e kunst. Ons aller Gé Bom is de ontdekker van dit epistel.

Het is geschreven door Klaas Driebergen die zichzelf als volgt introduceert: “een zelfstandig schrijver, uitgever en fotograaf. Mijn specialisme zijn de verhalen van Marten Toonder over heer Bommel en Tom Poes.” Over dat specialisme is van alles te lezen op zijn website www.klaasdriebergen.nl, waar geïnteresseerden zich kunnen inschrijven voor zijn nieuwsbrief BommelDingen.

Het onderwerp van het artikel is zeker niet nieuw te noemen. Zoals in het artikel te lezen is, is er reeds uitgebreid aandacht aan besteed in ons lijfblad Duizend Bommen! door zowel Jeroen Denters als Gert Faken. Toch worden in dit artikel van Klaas nieuwe voorbeelden getoond en nieuwe inzichten gedeeld. Reden genoeg om (opnieuw) kennis te maken met het onderwerp van dit artikel.

Veel lees plezier!

Wat heeft Tom Poes met Kuifje te maken? (door Klaas Driebergen)

Volgens Toonder niets, en dat dacht ik ook altijd. Maar klopt dat wel…? Daarover gaat het deze week.

Tijdens het maken van de Bommel literatuurgids kwamen medesamensteller Hugo Klooster en ik heel veel interessante artikelen tegen over het werk van Marten Toonder. Veel daarvan leerden me dingen erover die ik nog niet wist, of boden me een nieuw perspectief op de Bommelverhalen. Deze keer een voorbeeld van zo’n artikel.

Marten Toonder heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij met name in de periode dat hij het vak als tekenaar leerde, werk van andere tekenaars als voorbeeld gebruikte. Hij noemt in zijn autobiografie bijvoorbeeld Dante Quinterno en Roy Wilson expliciet als leermeesters, en ook vertelt hij dat hij in de jaren dertig plakboeken aanlegde met uitgeknipte plaatjes uit het werk van anderen (de ‘dievenboeken’), vooral tekenaars uit Noord- en Zuid-Amerika.

Over deze beïnvloeding is veel te zien en te lezen in het vorig jaar verschenen boek Het geheim van Marten Toonder. Soms gaat het daarbij om de tekenstijl, andere keren om het letterlijk natekenen van voertuigen, interieurs of poses van figuren.

De Belg Georges Remi, alias Hergé, behoort echter tot de tekenaars waarvan Marten Toonder expliciet heeft gezegd dat die hem niet beïnvloed hebben. Bij een artikel van Jeroen Denters uit april 2000 in Duizend Bommen!, het tijdschrift van het Hergé Genootschap, werd een schrijven van Toonder gepubliceerd (ook opgenomen in Het woord als gevoel) waarin die vertelt dat hij na de oorlog via zijn kinderen met het werk van Hergé kennismaakte. Hij beschouwt Hergé als een ‘ras-verteller’ en heeft ‘grote waardering’ voor diens verhalen, maar hij vindt diens tekenstijl, de befaamde Klare Lijn, ‘nodeloos koud en vlak van tekening’. Hij besluit met: ‘Ik hoop u niet teleur te stellen als ik zeg dat de stakker [= Kuifje] mij niet beïnvloed heeft’.

Een jaar later, in april 2001, publiceerde Gert Faken in Duizend Bommen! een artikel met de passende titel ‘Bommeldingen!’ Daarin laat hij zien dat er in de allervroegste Tom Poes-verhalen een aantal scènes voorkomen die opmerkelijke overeenkomsten vertonen met taferelen uit Kuifje.

Graag laat ik een aantal voorbeelden zien. Ik heb contact gehad met de heer Faken over zijn bevindingen, waardoor ik ook enkele voorbeelden kan laten zien die niet bij het artikel zijn opgenomen.

In De geheimzinnige roverhoofdman (1941) dreigt de stevig vastgebonden Tom Poes door schurken met een loden kogel aan zijn benen door een luik te worden gegooid, waaronder een onderaards riviertje stroomt.

Hetzelfde overkomt Kuifje in Kuifje in Amerika (1931). Onder het luik ditmaal het water van het Michiganmeer.

Ook de volgende tekening komt uit De geheimzinnige roverhoofdman, met een vastgebonden heer Bommel, vermomd met baard, donkere bril en oude jas.

In vrijwel dezelfde vermomming treffen we Kuifje aan in De blauwe lotus (1934):

Over dat laatste verhaal gesproken: Kuifje verstopt zich daarin in een vaas, net zoals Tom Poes doet in Tom Poes en de Drakenburcht (1941):


Toeval…? De mate waarin je geneigd bent dit aan het toeval toe te schrijven, verschilt per voorbeeld. Dat zowel Tom Poes als Kuifje achterop een auto meeliften, in respectievelijk Tom Poes en de rare uitvinding (1941) en De blauwe lotus, zou mijns inziens best eens toeval kunnen zijn:


Of wat te denken van de capriolen die zowel Tom Poes als Kuifje uithalen in De laatste markies van Carabas (1942) en Kuifje in de Sovjet-Unie (1929), hangende in het landingsgestel van een vliegtuig:

Bij andere voorbeelden denk ik: hier kan haast geen sprake van toeval zijn. Neem bijvoorbeeld een treinongeluk in Heer Bommel en de bergmensen (1943). Hierin zijn wel érg veel parallellen te vinden met een vergelijkbare gebeurtenis in Kuifje in Amerika (1931). In beide gevallen ligt er een rotsblok op de rails, waar de trein met een noodgang op af komt rijden:


Bij Tom Poes komt het tot een botsing met de steen. Bij Kuifje wordt het gevaarte net op tijd door dynamiet opgeblazen. Hoe dan ook volgt er in beide verhalen een knal:

Bij Kuifje blijkt het ‘uitstel van executie’: even later knalt de trein namelijk op een kar met dynamiet. En zo komt het dat er van beide treinen weinig overblijft dan een puinhoop van verwrongen staal:


En vervolgens blijkt dat zowel Tom Poes als Kuifje door het geweld van de explosie een boom zijn terechtgekomen!

Wat ik hier getoond heb is nog maar een selectie uit de zestien voorbeelden van door Faken verzamelde scènes uit Tom Poes die mogelijk door Kuifje geïnspireerd zijn.

Let wel: er is geen enkele keer iets letterlijk overgetrokken. Heel beschamend is het dus niet te noemen. Maar ik vind het overtuigend, vooral gezien de hoeveelheid ervan. Dat kan geen toeval meer zijn.

Dat schreef Faken ook aan Toonder, aan wie hij alle door hem gevonden voorbeelden met een begeleidend schrijven voorlegde. Toonders antwoordbrief is in zijn artikel afgedrukt. Faken stuurde mij een scan van de brief, die ik hier graag laat zien. Altijd leuk om te lezen, brieven van Toonder:

Toonder ontkent dus. Ik vind de stelligheid waarmee hij dit doet opmerkelijk, net als het ietwat denigrerende toontje in de slotregels. Zoals gezegd heeft hij van beïnvloeding door andere striptekenaars nooit een geheim gemaakt. Bovendien is Toonder vaker geconfronteerd met opmerkelijke parallellen tussen iets in zijn verhalen en iets daarbuiten. Meestal reageert hij daarop met (al dan niet gespeelde) verbazing. Maar, hoe verbazend sommige van de hierboven getoonde voorbeelden ook zijn: van verbazing lijkt er ditmaal bij Toonder in het geheel geen sprake. Eerder van ergernis. Voelt hij zich toch betrapt? Hij heeft zich een jaar eerder immers duidelijk gedistantieerd van de tekenstijl van Hergé en stellig verkondigd dat ‘de stakker hem niet beïnvloed heeft’. En nu lijkt het tegendeel waar.

Hij geeft, enigszins impliciet, een mogelijke verklaring voor de opvallende overeenkomsten. Hij verzamelde indertijd Amerikaanse strips en las veel weekbladen, ‘zoals Nick Carter en Lord Lister’ – bladen in respectievelijk het detektive- en het pulp-genre. ‘Daarin kwamen inderdaad slangen en ontsporende treinen, en open luiken, boven de Thames, en ritjes op de achterbumper van een auto – en dergelijke voor. Trouwens, het vastbinden op een stoel was al heel vroeg in [de] eeuw een vaste gewoonte van ontspoorde ongevormden.’

Met andere woorden: Toonder ontkent niet eens zozeer dat hij de door Faken opgespoorde passages niet zelf bedacht heeft, maar beschouwt ze als stereotiepe scènes die veel in bepaalde meer avontuurlijk ingestelde lectuur voorkomen, en die hij ook in Tom Poes heeft gebruikt, net als Hergé in Kuifje.

Toonder herhaalt zijn stelling dat hij pas na de oorlog met Kuifje in aanraking kwam, dus enkele jaren ná de genoemde voorbeelden. Faken besteedt in zijn artikel ruime aandacht aan de vraag of het aannemelijk is dat Toonder toch eerder al van Kuifje kennis heeft genomen, en zo ja hoe dit kan zijn gebeurd.

De eerste verhalen van Kuifje verschenen vanaf 1929 in het Frans – eerst in Le Petit Vingtième, de jeugdbijlage bij het Belgische dagblad Le Vingtième Siècle, vervolgens ook als album – en vanaf 1940 voor het eerst in het Nederlands in het Belgische dagblad Het Laatste Nieuws. Nederlandstalige albums bestonden er begin jaren veertig nog niet, laat staan dat ze in Nederland werden verkocht. Weinig Nederlanders zullen Kuifje dus rond 1941 al gekend hebben.

Toch zijn er meerdere manieren denkbaar waarop Toonder vóór 1941 al met Kuifje in aanraking kan zijn gekomen. Faken wijst erop dat Marten Toonder senior scheepskapitein was, en het is zeer goed mogelijk dat die ook weleens de haven van Antwerpen aandeed, en daarvandaan wellicht een keer een Kuifje-album voor zijn striptekenende zoon meegenomen heeft.

Daarnaast was Toonder in de jaren dertig medewerker van de Nederlandse Rotogravure Maatschappij in Leiden, dat ook Belgische bladen uitgaf waar Toonder zelf ook strips voor tekende (ABC, Bonjour), en dat zakelijke relaties onderhield met Belgische bedrijven. Het is helemaal geen gekke gedachte van Faken dat er misschien weleens een strip van Kuifje op de Rotogravure terechtkwam.

Al blijft het gissen: echte bewijzen voor een vroege kennismaking van Toonder met Kuifje zijn er niet.

In Toonders archief heb ik tot dusver geen materiaal aangetroffen dat een beter licht op de zaak kan werpen. De dievenboeken zijn bewaard, maar daarin is geen spoor van Kuifje te vinden. Daarnaast zijn er in het Toonderarchief enkele dozen vol losse (meest Argentijnse) strippagina’s aanwezig: deels verknipt voor de dievenboeken, wat aangeeft dat Toonder altijd heel veel van zijn voorbeeldmateriaal bewaard heeft.

In al dit materiaal heb ik welgeteld één pagina van Kuifje gevonden. Toen ik deze aantrof, dacht ik even op een spoor gekomen te zijn, want het is een deel uit Kuifje in Amerika, van vlak nadat Kuifje in het Michiganmeer is gegooid, samen met die halters – die echter blijven drijven, ze blijken van hout te zijn.

Het is echter de hertekende, ingekleurde versie van het verhaal, die uit 1945 stamt, en dan gepubliceerd in een Deens stripblaadje. (Wellicht door Toonder uit Denemarken meegenomen tijdens zijn ‘tournee’ naar dat land in 1948.) Als we dus alléén af moeten gaan op het Toonderarchief, kan Toonders bewering dat hij pas na de oorlog met Kuifje kennismaakte, niet worden weerlegd.

De ontdekking van Faken was voor het NRC Handelsblad nieuws: ‘Stal Toonder van Kuifje?’ kopte de krant boven een artikel van Paul Steenhuis (9 mei 2001). Het woord ‘stelen’ vind ik dan wel weer misplaatst. Zoals gezegd heeft Toonder bij geen van de betreffende tekeningen het voorbeeld letterlijk nagetekend. Ik heb wel sterkere staaltjes van ‘plagiaat’ gezien in het oudere werk van Toonder.

Maar op grond van de ruime hoeveelheid voorbeelden die Faken toont, lijkt het mij vooralsnog zeer aannemelijk dat Toonder elementen uit het werk van Hergé heeft gebruikt om ideeën op te doen voor zijn vroege Tom Poes-verhalen. Mocht iemand dit kunnen weerleggen, bijvoorbeeld door de voorbeelden te achterhalen waar zowel Toonder als Hergé deze scènes aan ontleend hebben, dan houd ik mij zeer aanbevolen!

Het originele artikel van Klaas Driebergen kan hier gelezen worden.

Ook leuk voor jou?