Vervolgd: de veilingkavel…

door rogerklaassen

door Roger Klaassen (met dank aan Samy Herskowicz)

© Hergé/Moulinsart, 2020

Een vervolg rond de beschuldigingen van diefstal van de schets voor de cover van De Blauwe Lotus lezen we in een artikel van Leo Cendrowicz op inews – van 2 oktober al, maar nu ook opgepikt op de website van The Week.

De nieuwe argumenten die worden aangedragen om het diefstal-verhaal te ondersteunen in de twee artikelen:

  • er worden anonieme ‘old friends’ van Hergé aangehaald die zeggen dat het om een gestolen (pinched) werk gaat.
  • hij haalt Kuifje-kenners aan die beweren dat Hergé nooit iets zou weggeven aan iemand die hij niet kent – in dit geval dus de jonge Jean-Paul Casterman. In het oorspronkelijke artikel van Leo Cendrowicz wordt Philippe Goddin hier geciteerd – die zegt wel dat Hergé de jonge Casterman niet kende, maar niet dat Hergé hem daarom de tekening niet zou hebben kunnen geven.
  • Goddin vertelt wel een aannemelijk verhaal over hoe de vouwen in de tekening zijn gekomen: Hergé vouwde hem op om in een envelop te stoppen (dus niet de jonge Jean-Paul zodat het in zijn bureaulade zou passen). Kennelijk deed hij dat vaker. Mijn eigen toevoeging: het ging hier ‘slechts’ om een schets, die helemaal niet als bijzonder waardevol werd gezien door Hergé. In de aankondigingen van de veiling wordt telkens gezegd dat het ontwerp te complex was om te reproduceren, maar dat is flauwekul: de man van Casterman (Charles Lesne) vraagt om de tekening uit te voeren in een lijntekening en de kleuren op een apart blad. Een heel gebruikelijke manier van werken (voor alle latere Kuifjes ook gehanteerd). Op zich is het namelijk helemaal geen probleem om de tekening zoals die was te reproduceren: zie alle ander full colour-publicaties uit die tijd (zoals de voorkanten van de eerste Soviets, Congo, etc).
  • volgens de anonieme kenners zou Hergé zijn cadeau’s altijd signeren.
  • en ten slotte: dat de verkoop juist plaatsvindt op dit moment, dat wil zeggen enkele maanden nadat de juridische deadline verloopt om het eigenaarschap aan te vechten (een soort verjaring van de diefstal). Ik ben geen jurist, maar als het gaat om een ordinaire diefstal, lijkt mij een verjaringstermijn van bijna een eeuw (1936 – 2020: 84 jaar) wel erg lang – een moordenaar komt dan makkelijker weg.

Al deze argumenten lijken me vrij ver gezocht. En ze laten ook de vraag onbeantwoord waarom Hergé of zijn erfgename, of Moulinsart of Nick Rodwell zelf niet eerder in actie zijn gekomen tegen deze ‘diefstal’. Ik hecht meer waarde aan de inzichten, ondersteund met documenten, van Marcel Wilmet en Étienne Pollet in ons vorige artikel over deze kwestie.

Het is verrassend dat men het diefstal-verhaal hardnekkig van nieuwe argumenten blijft voorzien. Welk appeltje heeft Rodwell te schillen met de familie Casterman?

Ook leuk voor jou?